Schuldeisers

Hoe je ze te vriend ťn buiten de deur houdt!

schulden
Nederland en schulden

Lange tijd is Nederland koploper geweest op het terrein van schuldkwijtschelding. Hoewel Nederland internationale afspraken over schuldkwijtschelding volgt en toepast, is het de plek in de voorhoede kwijt. De huidige Minister van Ontwikkelingssamenwerking maakt er geen geheim van dat zij weinig hecht aan kwijtschelding van schulden. De regering weigert om, zoals Noorwegen, kwijtschelding van exportkredietschulden bovenop hulp te financieren. En op de VN Top over de Millenniumdoelen in September 2005 kreeg de Nederlandse delegatie de opdracht zich te verzetten tegen een definitie van schuldhoudbaarheid waarin de Millenniumdoelen centraal staan.

Wie staan er in de schuld bij de Nederlandse overheid?

Schulden van andere landen aan Nederland (zogenaamde bilaterale schulden) bestaan hoofdzakelijk uit twee soorten schulden: hulpschulden en exportkredietschulden.

Exportkredietschulden zijn 'harde' leningen met een hogere rente. De totale exportkredietschuld aan Nederland bedraagt (per juni 2005) 2 miljard euro. Daarvan staat een half miljard uit bij Rusland. Andere grote debiteuren zijn Congo (229 miljoen), een land dat recent in aanmerking komt voor schuldkwijtschelding, IndonesiŽ (219 miljoen), ArgentiniŽ (208 miljoen), Angola (103 miljoen) en Soedan (95 miljoen).

Hulpschulden zijn schulden die voortkomen uit bilaterale ontwikkelingssamenwerking. Tot 1992 bestond ontwikkelingshulp niet alleen uit giften maar ook uit leningen. Deze 'zachte' leningen hebben over het algemeen een lagere rente. De hulpschulden aan Nederland bedragen (eind 2002 - recenter cijfers stelt de overheid niet ter beschikking) 1,8 miljard euro. Daarvan staat 1,3 miljard uit bij de armste landen. Opvallend is dat India en IndonesiŽ samen verantwoordelijk zijn voor ongeveer zestig procent van de totale hulpschuld aan Nederland.

In 2002 inde Nederland 280 miljoen euro aan aflossingen op hulpschulden. Daarvan kwam 97,5 miljoen van de armste landen. Grote betalers onder de armste landen zijn India (57,6 miljoen euro), IndonesiŽ (11,2 miljoen euro) en Kenia (9 miljoen euro). Cijfers van na 2002 zijn niet beschikbaar.

Het beleid

Internationale afspraken zijn grotendeels bepalend voor het Nederlandse schuldenbeleid. Binnen de Club van Parijs maken OESO landen, waaronder Nederland, afspraken over bilaterale schuldverlichting. Het Heavily Indebted Poor Countries initiatief uit 1996 en het recentere Multilateral Debt Relief Initiative voorzien in afspraken over vermindering van de bilaterale schulden en schulden aan internationale instellingen (zogenaamde multilaterale schulden) van de armste schuldenlanden.

Bilaterale hulpschulden
Al sinds 1978 scheldt Nederland de afbetalingsverplichtingen van hulpschulden van de Minst Ontwikkelde Landen (MOLs) uit Afrika en (sinds 1991) Latijns Amerika aan Nederland kwijt. Op het moment dat het land de schuld moet terugbetalen, wordt een streep door de verplichting gezet. Voorwaarde voor deze schuldendienstverlichting is dat landen eerst moeten voldoen aan de vereisten van 'goed beleid en bestuur'.

Landen die kwalificeren voor schuldvermindering onder het HIPC initiatief, krijgen honderd procent schuldkwijtschelding van de uitstaande schuld. Dit betekent dat de schuld in ťťn keer wordt verlaagd. Deze kwijtschelding vindt plaats op het 'beslispunt' (decision point) van het HIPC initiatief. Dat is het moment waarop Wereldbank en IMF bepalen of het land in aanmerking komt voor het initiatief en alle schuldeisers toezeggen hoeveel schuldverlichting het land uiteindelijk zal krijgen.

Bilaterale exportkredietschulden
Alle HIPCs die kwalificeren voor het HIPC initiatief krijgen van Nederland honderd procent vermindering van de uitstaande exportkredietschuld. Deze kwijtschelding is echter minder genereus dan op het eerste gezicht lijkt. Want die honderd procent is alleen van toepassing op een bepaald deel van de schuld. Schuld die na een betaalde datum is aangegaan, valt hier niet onder. Meestal is dat schuld die is ontstaan nadat het land de eerste keer een afspraak heeft gemaakt over schuldvermindering met de Club van Parijs, het forum waarin bilaterale schuldeisers afspraken maken over het schuldenbeleid. Kortom: recente schulden worden niet verminderd.

De schuldvermindering vindt plaats op het 'eindpunt' (completion point) van het HIPC intiatief. Dat is het moment waarop het land volgens Wereldbank en IMF heeft voldaan aan alle voorwaarden die gelden voor schuldvermindering. Om ervoor te zorgen dat landen niet al te lang hoeven wachten op schuldvermindering, geeft Nederland ook in de periode tussen het 'beslispunt' en het 'eindpunt' van het HIPC initiatief enige schuldverlichting. In deze tussenperiode wordt de schuldendienst voor een deel kwijtgescholden. Dus op het moment dat het land aan een verplichting moet voldoen, zet de overheid daar een streep door. HIPCs die tot de groep landen behoren waarmee Nederland intensief samenwerkt, krijgen in deze tussenperiode honderd procent vermindering van de geconsolideerde schuldendienst. Voor de andere HIPCs is dat maximaal negentig procent.

De praktijk

Tussen 1990-2002 gaf de regering 1,9 miljard euro uit aan kwijtschelding van hulpschulden, 339 miloen euro aan kwijtschelding van exportkredietschulden en 1,2 miljard aan kwijtschelding van multilaterale schulden.

In 2002-3 ging 170 miljoen euro naar kwijtschelding van hulpschulden. Latere cijfers zijn niet langer terug te vinden in de jaarverslagen van de regering. Kwijtschelding van multilaterale schulden besloeg nog slechts 3,8 miljoen euro. De komende jaren zal dit meer worden, omdat Nederland heeft toegezegd het Multilateral Debt Relief Initiative te steunen.

Kwijtschelding van exportkredietschulden (wel terug te vinden in de jaarverslagen) is sinds 2002 flink gaan stijgen. Tussen 2002 en 2008 zullen de uitgaven hieraan maar liefst 2,2 miljard dollar bedragen. Per jaar is dat tussen de 5-12% van het totale hulpbudget.